Vereniging van Oudgermanisten
V
O
G
V
O
G

Oudgermaans

De Germaanse talen, waartoe naast het Duits, het Engels en het Nederlands ook het Fries en de Scandinavische talen behoren, vormen een van de takken van de Indo-Europese taalfamilie. Men onderscheidt drie takken van het Germaans: het Oost-Germaans (onder meer het Gotisch, dat nu uitgestorven is), het Noord-Germaans (de Scandinavische talen) en het West-Germaans (het Duits en het Nederlands, het Engels en het Fries).

 

De overlevering van het Germaans begint in de eerste eeuwen na Christus met een aantal runeninscripties. Daarna komt het Gotisch, dat voornamelijk bekend is uit de Bijbelvertaling van de vierde eeuw van bisschop Wulfila. De meeste teksten in de Oudgermaanse talen zijn geschreven in de periode tussen de achtste en de veertiende eeuw. De bekendste zijn de Beowulf (Oudengels, achtste eeuw), de Edda en de saga’s (Oudijslands, negende-elfde eeuw), de Heliand (Oudsaksisch, negende eeuw), de Isidor (Oudhoogduits, negende eeuw) en de Oudfriese wetsteksten (vanaf 1225 AD).

 

De vroege Germaanse talen beschikken over een zeer rijk en divers corpus aan literaire teksten; de overgeleverde teksten – zoals de Friese wetten – zijn vaak ook van grote cultuurhistorische betekenis. De oudgermanistiek is bijvoorbeeld van groot belang bij de bestudering van de Europese Middeleeuwen, de intrede van het Christendom en het ontstaan van de West-Europese culturen.